|
webhosting |
Herodotus
de mens voor het voetlicht
der historie
- Koning Croesus
- Croesus en solon (30-31-32)
- De dood van Atys:
1) een onheilspellende droom (34.)
2) Adrastus aan Croesus'hof (35.)
3)+4) fatale toegeving van Adrastus en Croesus (samenvatting)
5) tragische ontknoping (43.-44-45)
- Een waarschuwing
- Inkeer van croesus (86-87-88)
--> Titelblad: auteur, soort werk, bedoeling van het werk, waarover de tekst gaat
--> nadruk op de oorzaken
--> 2-ledigheid in opbouw: dingen tegenover elkaar zetten: doel <--> onderwerp
Dit is de uiteenzetting van het onderzoek van Herodotus van Halicarnassos, neergeschreven opdat de gebeurtenissen bij de mensen mettertijd niet zouden vergeten worden. En opdat de grote en bewonderenswaardige daden die zowel Grieken als niet-Grieken hebben verricht, niet roemloos zouden worden.
Het onderzoek gaat vooral over de oorzaak waarom zij met elkaar vochten.Koning Croesus
Croesus was een Lydiër van afkomst, een zoon van Aluatteus, een heerser van de volkeren ten westen van de Halys-stroom, die stromend vanuit het zuiden tussen Syrië en Paphlagonië uitmondt in wat men de “gastvrije” zee noemt. (=Zwarte Zee)
Deze Croesus onderwierp als eerste van de niet-Grieken die wij kennen, sommigen van de Grieken, met het oog op het betalen van belastingen en won er ook anderen tot vriend.
Hij onderwierp de Ioniërs, de Aeoliërs en de Doriërs in Azië en hij maakte de Spartanen tot vriend. Voor de heerschappij van Croesus waren alle Grieken vrij.
Croesus en Solon
--> begin 6de eeuw v. Chr.
--> loste de spanningen in de Atheense democratie op
--> door de macht van de aristocratie te breken
--> die namen hem dit kwalijk
--> hij werd gedwongen Athene te verlaten
--> wordt beschouwd als één van de 7 wijzen van Griekenland (naast: Bias, Chilon, Cleobulus, Periander, Pittacus en Thales)
30. Omwille van die toestand en om te kijken naar bezienswaardigheden vertrok Solon vanuit de stad en ging hij naar Egypte bij Hamasis, maar belangrijker, hij reisde door naar Sardes bij Croesus.
Bij zijn aankomst werd hij door Croesus gastvrij onthaald in het koninklijk paleis.
Hierna, op de 3de of 4de dag, leidden de dienaren, op bevel van Croesus, Solon rond in de ondergrondse schatkamers en toonden hem alles wat groot en rijkelijk was.
Toen hij dit alles bewonderd en bekeken had, en toen er zich een gunstig moment voordeed, vroeg Croesus hem het volgende:
“ Atheense vriend, ik zou je eens iets willen vragen, want bij ons komt er meermaals een bericht over jou, namelijk over jouw wijsheid en bereisdheid, dat je zoekend naar kennis al veel van de aarde hebt afgereisd om er naar bezienswaardigheden te kijken. Daarom dus kwam bij mij het verlangen op om te vragen of je reeds iemand gezien hebt die er het gelukkigst uitzag van allen?”Croesus stelde deze vraag, omdat hij erop hoopte dat hij de gelukkigste mens was, maar Solon, die helemaal niet wilde vleien, maar de waarheid wou behouden, zei: “ Mijn koning, dat is Tellus, de Athener.” Croesus was verwonderd over wat hij gezegd had, en vroeg vol spanning: “ En hoe kom je erbij dat Tellus de gelukkigste is?”
Solon antwoordde: “ Enerzijds, terwijl zijn stad het goed had, had hij schitterende kinderen, en hij zag dat er bij al zijn kinderen kinderen geboren werden en dat ze allemaal in leven bleven. Anderzijds had hij naar onze normen een voorspoedig leven, en hij kende een schitterend levenseinde: want, toen de Atheners vochten tegen hun buren in Eleusis, kwam Tellus ter hulp, hij deed de vijanden terugkeren en stierf hierbij eervol. De Atheners begroeven hem op staatskosten, met veel eerbetoon, daar waar hij gevallen was.31. Solon maakte Croesus nieuwsgierig door vele en schitterende dingen over Tellus te zeggen, en daarom vroeg Croesus wie hij dan na Tellus zag als de tweede gelukkigste, in de vaste overtuiging de tweede prijs te behalen.
Solon antwoordde: “Kleobis en Biton. Want zij waren Argeiers van afkomst en zij hadden voldoende geld. Daarenboven bezaten ze een zeer grote lichaamskracht. Ze waren beiden evenwaardig als prijswinnaars. In het bijzonder wordt er over hen het volgende verhaal verteld:
“ Toen er ter ere van Hera een feest was bij de Argeiers, was het absoluut nodig dat hun moeder met een ossenspan naar het heiligdom werd gevoerd, maar hun ossen waren niet op tijd van het veld gehaald. Omdat ze door gebrek aan tijd niet langer konden wachten, bogen de jonge mannen zich onder het juk en trokken de kar, met daarop hun moeder, over een afstand van 45 stadiën en kwamen ze aan bij de tempel.
Toen ze dit deden en opgemerkt werden door een menigte van feestgangers, overkwam hen een schitterend levenseinde. Hera toonde duidelijk aan door wat deze mensen overkwam dat het beter is voor de mens om dood te zijn dan te leven. De Argeiers stonden rond hen en prezen de jonge mannen gelukkig om hun kracht, de Argeïsche vrouwen prezen hun moeder: wat voor kinderen had ze!! De moeder die zeer verheugd was door de prestatie en wat erover gezegd werd, ging voor het beeld staan. Ze bad dat Hera aan haar kinderen, Kleobis en Biton, die haar in hoge mate hadden geëerd, zou geven wat voor een mens het beste is om te krijgen. Toen ze na dit gebed geofferd hadden en een feestmaal hadden gehouden, legden de jonge mannen zich te ruste in het heiligdom zelf. Ze ontwaakten niet meer, maar bleven in die toestand.
De Argeiers maakten beelden van hen en stelden die op in Delphi, omdat zij vonden dat ze uitstekende mannen waren geworden.32. Solon kende dus Kleobis en Biton de 2de prijs in geluk toe.
Croesus zei opgewonden: “Atheense vriend, ons geluk wordt door jou zo ter zijde geworpen, dat je ons zelfs niet op één lijn stelt met gewone burgers.”
Solon zei: “Croesus, ik ben ervan overtuigd dat al het goddelijke in zijn geheel onberekenbaar en afgunstig is en nu stel jij mij vragen over menselijke zaken.
Want in een heel leven ziet men veel dingen die men niet wil zien en ondergaat men veel dingen die men liever niet zou meemaken. Volgens mij kan een mens 70 jaar worden. Van al deze dagen in 70 jaar , dit zijn er 26.250, brengt er geen enkele hetzelfde mee als een andere.
Zo dus, Croesus, is de mens geheel en al onderworpen aan toevalligheden. Voor mij lijk je én heel rijk te zijn én koning van veel mensen. Op dat wat mij gevraagd wordt kan ik op geen enkele manier antwoorden dat jij de gelukkigste bent, voordat ik heb vernomen dat je leven goed eindigde. Het is nodig eerst het einde van alle dingen te zien, hoe het zal aflopen. De goden hebben aan vele mensen eerst het geluk laten zien, om hen daarna in de diepste ellende te storten."33. Door dit te zeggen viel Solon op geen enkele manier in de smaak van Croesus, en zonder hem nog een blik waard te achten, zond hij (Croesus) hem weg. Menende dat Solon zeer dom was.
34. Na het vertrek van Solon nam de godheid wraak op Croesus, naar men mag aannemen omdat hij dacht dat hij de gelukkigste van alle mensen was. Onmiddellijk hierna (het vertrek) , toen Croesus ging slapen, kreeg hij een droom die hem de ware toedracht (waarheid) toonde over de ramp die zijn zoon zou overkomen. Croesus had twee zonen, waarvan de ene gebrekkig was -want hij was doofstom- , de andere was onder zijn leeftijdsgenoten verreweg de eerste in alles. Hij heette Atys. Over die Atys maakte de droom aan Croesus duidelijk dat hij hem (=At) zou verliezen, getroffen dor een ijzeren speerpunt. Toen hij wakker werd en nadacht over de droom, bracht hij een vrouw mee voor zijn zoon uit angst voor de vervulling van de droom. En terwijl/hoewel Atys gewoon was de Lydiërs aan te voeren, zond Croesus hem nu nog naar geen enkele oorlog. De werpspiezen, kleine speren en andere dingen die mensen in een oorlog gebruiken, liet hij uit de mannenvertrekken halen en stapelde ze op in magazijnen, zodat er geen voorwerpen die aan de muur hingen op zijn kind zouden vallen.
35. Toen Croesus bezig was met de voorbereiding van het huwelijk van zijn zoon, kwam er in Sardes een man aan die door bloedschuld was getroffen en die bloed had aan zijn handen. Hij was een Phrygiër van koninklijke afkomst. Hij kwam het huis van Croesus binnen en vroeg om deel te hebben aan een reinigingsritueel volgens de gebruikelijke wijze, dus Croesus zuiverde hem. Bij de Lydiërs was dit reinigingsritueel bijna hetzelfde als bij de Grieken. Nadat Croesus de gebruikelijke handelingen had verricht, probeerde hij te weten te komen waar de man vandaan kwam en wie hij was, met volgende woorden: "Man/mens, wie ben je, van waar uit Prygië kom je dat je als smekeling bij mij bent terechtgekomen? Welke man of vrouw heb je gedood?" Hij antwoordde: "Koning, ik ben Adrastus, zoon van Gordias, die op zijn beurt de zoon is van Midas. Zonder opzet heb ik mijn broer gedood. Ik ben hier omdat ik verdreven ben door mijn vader en beroofd van alles." Croesus antwoordde hem het volgende: "Je bent toevallig een zzon vanbevriende mensen en je bent zelf naar vrienden gekomen, hier zal je niets te kort komen, zolang je bij ons blijft. Je zal het meeste voordeel hebben door dat lot zo luchthartig mogelijk op te nemen.
3) + 4) Fatale toegeving van Croesus en Adrastus
In de buurt zwerft er een verschrikkelijk zwijn rond, dat het leven er onleefbaar maakt. Atys wil erop gaan jagen, Croesus moet toegeven.
Croesus ontbiedt Adrastus om mee te gaan met Atys als beschermer.
43. Nadat hij Croesu met die woorden geantwoord had, gingen ze weg, voorzien van een elite jongemannen en honden. Toen ze aangekomen waren op de Olympus-berg, zochten ze het wilde dier. Toen ze dit gevonden hadden en ze zich rond het beest opgesteld hadden, bestookten ze het met speren. Precies op dat moment miste de vreemdeling, die van bloedschuld was gereingd, Adrastus, genaamd het zwijn, maar trof toevallig de zoon van Croesus. Getroffen door een speer vervulde hij de voorspelling van de droom. Onmiddellijk liep er iemand weg om Croesus het gebeurde te melden. Aangekomen in Sardes bracht hij verslag uit van de jachtpartij en het doodslot van zijn zoon.
44. Croesus was helemaal in verwarring gebracht door de dood van zijn zoon. Hij uitte bittere klachten, vooral omdat hij gedood was door de man die hij zelf van moord gezuiverd had. Omdat hij zo verbitterd was door het verschrikkelijke verlies , riep hij Zeus de Verzoener aan als getuige van wat hem door de vreemdeling was aangedaan. Hij aanriep hem ook als beschermer van de gastvrijheid (het gastrecht) en de vriendschap: als beschermer van he gastrecht omdat hij de vreemdeling in zijn huis had ontvangen zonder te beseffen dat hij de moordenaar van zijn zoon voedde, als beschermer van de vriendschap omdat hij in iemand die hij mee had gezonden als beschermer, zijn ergste vijand had gevonden.
45. Hierna kwamen de Lydiërs aan met het lijk en achter hen volgde de moordenaar. Hij ging voor het lijk staan en gaf zich over aan Croesus, zijn handen voor zich uit strekkend, terwijl hij beval hem neer te steken op het lijk van Atys. Daarbij sprak hij over het onheil dat hem vroeger zelf was overkomen en zei dat hij de man die hem van deze schuld had gezuiverd, in het verderf had gestort, en dat het leven voor hem niet meer leefbaar was. Toen Croesus dit hoorde, kreeg hij medelijden met Adrastus, hoewel hij zich in zo'n grote miserie bevond, en zei tegen hem: "Gast, ik heb van jou reeds alle genoegdoening gekregen, omdat je jezelf ter dood veroordeelde. Voor mij heb je geen schuld aan dit ongelukkige voorval, tenzij voor zover je het onvrijwillig hebt gedaan. Maar in zekere zin is het de schuld van iemand van de goden, die mij reeds lang tevoren had aangegeven wat er zou gebeuren.
Croesus begroef zijn zoon op passende wijze. Adrastus, zoon van Gordias van Midas, die de moordenaar was geworden van zijn broer en later ook die van de zoon van zijn zuiveraar, die kwam, toen het stil was geworden rond het graf, tot het besef dat hij van alle mensen die hij kende het zwaarst door onheil was getroffen en hij stak zichzelf neer bij het graf.
Een waarschuwingCroesus miste de betekenis van het orakel en daarom voerde hij een veldtocht in Klein-Azië, hopend dat hij Cyrus en de macht van de Perzen ten val zou brengen. Toen Croesus zich klaarmaakte om tegen de Perzen te strijden, kreeg hij de volgende raad van één van de Lydiërs, die reeds voordien als een wijze man werd beschouw en zeker sinds deze raad werd hij met recht en rede geëerd de Lydiërs - zijn naam was Sandanis: "Koning, jij maakt je klaar om oorlog te voeren tegen die mannen die gewoon zijn leren broeken en andere leren kleren te dragen en die niet eten wat ze willen, omdat ze een schrale streek hebben. Bovendien gebruiken ze gewoonlijk geen wijn, maar drinken ze water. Ze hebben ook geen vijgen om te eten en ook niets anders lekker. Als je overwint, wat ga je dan afnemen van hen die helemaal niets hebben en van de andere kant, als je overwonnen wordt, realiseer je dan welke goede dingen je verliest. Want als ze eenmaal van onze goede dingen geproefd hebben, zullen ze zich eraan hechten en zijn ze er niet meer van weg te slaan. Ik dank nu de goden die de Perzen niet op het idee brengen tegen de Lydiërs oorlog te voeren."
Door dit te zeggen, kon hij Croesus toch niet overtuigen.
86. Zo kwamen de Perzen in het bezit van Sardes en namen ze Croesus levend gevangen, nadat hij 14 jaar geregeerd had en 14 dagen was belegerd. En zo maakte hij volgens het orakel een ende aan zijn eigen grote heerschappij. Toen ze hem gevangen hadden, brachten ze hem naar Cyrus. Deze liet een grote brandstapel oprichten en deed Croesus , die geboeid was aan de voeten, hem bestijgen samen met 14 Lydische kinderen.
Dit deed hij omdat hij ofwel een eerstelingsoffer wilde brengen aan één of andere god, ofwel wilde hij een gelofte vervullen, ofwel deed hij Croesus de brandstapel bestijgen omdat hij had vernomen dat Croesus godvruchtig was en dat hij nu wilde zien of één of andere godheid hem van het levend verbranden zou redden.
Dat deed hij (zegt men). Terwijl Croesus op de brandstapel stond, en hoewel hij zich in zo'n hachelijke stuatie bevond, schoten hem de woorden van Solon te binnen nl. dat er niemand van de levenden gelukkig is. En zo kwam hij tot het inzicht dat hem dit gezegd was onder goddelijke ingeving. En zie: toen dit hem voor de geest kwam, ademde hij diep en zuchtte zwaar en na een lange pauze riep hij tot 3x toe: "SOLON!!"
Toen Cyrus dit hoorde, beval hij de tolken om Croesus te ondervragen over wie hij daar aan het aanroepen was. Ze gingen naar hem toe en vroegen het hem. Croesu bleef lang tijd zwijgen bij de ondervraging, maar nadien, toen hij gedwongen werd, zei hij: "Ik aanroep een man van wie ik het zeer op prijs zoe stellen, meer dan alle geld, dat hij eens met alle tirannen zou gaan praten." Omdat hij onbegrijpelijke dingen zei, vroegen ze hem opnieuw naar de betekenis van zijn woorden. Omdat ze hem aanhielden en bleven aandringen, zei hij dat om te beginnen Solon, een Athener, bij hem was gekomen en bij het zien van zijn rijkdom had hij zich minachtend uitgelaten over zijn welvaart - met die en die woorden - en dat het met hem was afgelopen zoals Solon het had gezegd, hoewel hij niet alleen op hem had gedoeld, maar op de hele mensheid en dan vooral op de mensen die van zichzelf denken dat ze gelukkig zijn.Terwijl Croesus dit vertelde, was de buitenkant van de reeds aangestoken brandstapel al aan het branden. Toen Cyrus van zijn tolken hoorde wat Croesus had gezegd, veranderede hij van gedachten en realiseerde zich dat hij, hoewel hij zelf maar een mens is, een andere mens die even gelukkig was als hijzelf, levend aan het vuur gaf. Bovendien vreesde hij voor een mogelijke vergelding van de goden en dacht bij zichzelf dat niets wat onder de mensen gebeurt veilig is. Hij beval de brandstapel zo snel mogelijk te blussen en Croesus en diegenen bij hem eraf te halen. Maar hoewel ze probeerden, slaagden ze er niet in het vuur onder controle te krijgen.
87. Er werd door de Lydiërs verteld dat Croesus hierna vernam dat Cyrus van gedacht was veranderd. Toen hij zag dat vele mannen het vuur probeerden te blussen, maar het niet onder controle kregen, riep hij luid Apollo ter hulp en vroeg hem hem bij te staan en hem uit de slechte situatie waarin hij zich bevond te redden, indien hij ooit iets welgevalligs van hem uit had gekregen. Hij was de god nog steeds aan het aanroepen toen uit de heldere hemel en windstilte plotseling wolken samen kwamen, er barstte een onweer los en het begon hevig te regenen. Zo werd de brandstapel geblust. Hieruit leerde Cyrus dat Croesus geliefd was bij de goden en een goed man was. Hij liet hem van de brandstapel afdalen, terwijl hij hem hetvolgende vroeg: "Croesus, wie van de mensen heeft je overtuigd om mijn land aan te vallen en je als een vijand in plaats van een vriend op te stellen?" Hierop zei Croesus: "Ik heb dit gedaan door jouw geluk en mijn ongeluk. De verantwoordelijke van dit alles is de god van de Grieken die mij heeft aangezet tot de veldtocht. Niemand is toch zo dwaas dat hij oorlog boven vrede verkiest. Want in vredestijd begraven kinderen hun ouders, in oorlogstijd ouders hun kinderen. Maar de goden zullen het wel goed gevonden hebben dat de dingen zo verlopen zijn."
88. Na deze woorden maakte Cyrus hem los en liet hem plaatsnemen dicht bij hem en hij had veel sympathie voor hem. Terwijl ze naar hem keken, hijzelf en diegenen rond hem, was hij verwonderd over die kerel. Verzonken in gedachten zat Croesus daar. Nadien kwam hij weer tot werkelijkheid en toen hij zag dat de Perzen de stad van de Lydiërs plunderden, zei hij: " Koning, moet ik in deze omstandigheid de gedachten die toevallig in mij opkomen tegen u zeggen of moet ik zwijgen?" Cyrus zei dat hij onbevreesd mocht zeggen wat hij wou. Croesus antwoordde hem door te zeggen: "Wat doet die grote menigte daar met zoveel ijver?" Cyrus zei: "Die plundert uw stad en sleept uw bezittingen weg." Croesus antwoordde: "Ze plunderen niet mijn stad en mijn bezittingen, want ik heb geen recht meer op die dingen. Maar ze roven uw stad en dragen uw dingen daar weg."
Op deze site vind je nog andere vertalingen van teksten van Herodotus:
http://www.koxkollum.nl/herodotus/frameset.htm
zoek op die site in het menu links naar de gewenste tekst...